backgroundtop
Logo van Deknie.nl
     facebook twitter  
banner
Label DeBlessure.nl
De KNIE / KRAAKBEEN BINNENZIJDE
<a href=”http://adobe.com/go/getflashplayer”><img src=”http://www.adobe.com/images/shared/download_buttons/get_flash_player.gif” alt=”Get Adobe Flash player” /></a>

BESCHADIGING KRAAKBEEN KNIE

 

Het kraakbeen is een schokdemper, zorgt voor minimale wrijving kniegewricht

Symptomen bij beschadiging kraakbeen:

Kniepijn, startstijfheid of startpijn, vocht in knie, op slot schieten (slotklachten), instabiliteit

Onderzoek en diagnose bij beschadiging kraakbeen:

Röntgenfoto (met name eindfase slijtage), mri-scan

Conservatieve behandeling:

Fysiotherapie, steunzolen, evt brace, ontstekingsremmende medicatie

Operatieve behandeling beschadiging kraakbeen:

Microfracturing: botlaag wordt tijdens kijkoperatie (arthroscopie) geperforeerd om littekenkraakbeen in kale bot te creëren

Forage (Beckse of pridie boringen): Creëren van littekenkraakbeen in kale bot door gaatjes in bot te boren

Nettoyage met kijkoperatie: schoonmaken van het kniegewricht

Kraakbeenvervangende operatie: verscheidene technieken om het beschadigde kraakbeen te vervangen

Operatieve behandeling slijtage knie (artrose):

Osteotomie: as van het been wordt hersteld door middel van een wigtechniek

Knieprothese: het beschadigde kraakbeen wordt geheel of gedeeltelijk vervangen

 

 

Het kraakbeen bedekt de uiteinden van de botdelen van het gewricht. Het kraakbeen heeft een glad oppervlak en is veerkrachtig. Het kraakbeen bestaat uit vier lagen van in totaal ongeveer 4mm dik en gaat geleidelijk over in bot. Kraakbeen bestaat voor 90% uit water. Kraakbeen heeft verschillende functies. Kraakbeen zorgt voor een minimale wrijving in het gewricht. Kraakbeen kan bij glijbewegingen en drukmomenten vervormen. Daarnaast zorgt kraakbeen ervoor dat druk- en piekbelastingen naar onderliggend bot worden doorgeleid. Het kraakbeen wordt gevoed vanuit de gewrichtsvloeistof (synovia). Het gewrichtsvloeistof zorgt ervoor dat de gewrichtsoppervlakken goed over elkaar kunnen glijden.

Kraakbeen heeft een schokdempende functie, maar kan meer belast worden door as-afwijkingen, zoals een O-been of een X-been. Bovendien kan kraakbeen meer belast worden door bijvoorbeeld instabiliteit in de knie of een eerdere operatie aan de knie als het verwijderen van de meniscus.

Beschadiging van het kraakbeen kan veroorzaakt worden door een trauma (verzwikking of verdraaiing van de knie) of door overbelasting (slijtage). Kraakbeenschade begint vaak met een kleine beschadiging waardoor een deel los kan komen te liggen en een flap veroorzaakt. Dit kan bijvoorbeeld peudoslotklachten geven. Als deze beschadiging niet goed behandeld wordt is er een vergrote kans op verder letsel.

Een kraakbeenbeschadiging (chondropathie) kan worden onderverdeeld in vier gradaties:

Graad 1:          Het kraakbeenoppervlak is zacht en de verende eigenschappen zijn verminderd.

Deze beschadiging is niet op een röntgenfoto te zien.

Graad 2:          Er zitten scheurtjes in het kraakbeenoppervlak. Deze scheurtjes komen niet verder dan de helft van de oorspronkelijke dikte van het kraakbeen. Dit fenomeen wordt kraakbeenfibrillaties genoemd.

Hierbij is geen afwijking van betekenis te zien op de röntgenfoto.

Graad 3:          Er zitten scheurtjes in het kraakbeenoppervlak die dieper zijn dan de helft van de oorspronkelijke dikte van het kraakbeen en er zijn losse kraakbeenschollen. Dit stadium wordt ook wel preartrose genoemd.

De gewrichtsspleet begint te versmallen en het botweefsel op de röntgenfoto kleurt witter (subchondrale sclerose). De normale rondingen van het kniegewricht worden hoekiger. Dit fenomeen wordt osteofyten of botapposities genoemd.

Graad 4:          Het kraakbeen is verdwenen en het onderliggende bot ligt bloot. Deze gradatie wordt artrose of slijtage genoemd.

Op de röntgenfoto is een versmalde gewrichtsspleet te zien en soms is zelfs te zien dat het kraakbeen volledig verdwenen is.

 

Symptomen beschadiging kraakbeen

Bij kraakbeenschade (artrose) is pijn meestal het belangrijkste symptoom. Een herkenbaar fenomeen hierbij is startstijfheid of startpijn. Dit betekent dat de knie moet opstarten na bijvoorbeeld lang zitten of liggen. Later kan dit fenomeen zich ook ontwikkelen in rust en kan men wakker worden van de pijn.

Daarnaast kan de knie gezwollen raken doordat er vocht in de knie komt. Een acuut moment van de klachten bij slijtage wordt artritis genoemd (gewrichtsontsteking). Ook kan de knie ‘op slot schieten’ (dit worden slotklachten genoemd) doordat er losse stukken kraakbeen aanwezig zijn of er kan sprake zijn van pseudoslotklachten. Dit kan komen doordat de kraakbeenlagen slecht over elkaar glijden. Naast deze klachten kunnen er ook instabiliteitklachten of krakende geluiden (crepetaties) aanwezig zijn.

Kraakbeen is een structuur in het lichaam dat zichzelf niet goed kan herstellen. Dit komt doordat kraakbeen geen bloedvoorziening heeft. Kraakbeen heeft ook geen zenuwvoorziening. Hierdoor kan het geen pijn registreren. De pijn die optreedt na kraakbeenschade komt niet direct van de kraakbeenschade zelf, maar van geïrriteerde structuren eromheen, zoals het slijmvlies en botvlies. De instabiliteit kan komen doordat de spieren reflexmatig ontspannen als er een pijnprikkel vanuit de knie gegeven wordt. Vaak wordt dit fenomeen in een bepaald bewegingstraject of bepaalde stand van de knie gezien.

 

Onderzoek en diagnose bij beschadiging kraakbeen

Op een röntgenfoto is een gewrichtsspleet in het kniegewricht te zien. Dit komt doordat kraakbeen waterrijk is en water niet te zien is op een röntgenfoto. Om verlies van kraakbeen te zien op een röntgenfoto wordt de foto in stand gemaakt. Een normale hoogte van de gewrichtsspleet betekent dat de kraakbeenlaag nog intact is. Bij een versmalling van de gewrichtsspleet is er dus sprake van kraakbeenverlies.

Bij slijtage (artrose) kunnen er een aantal kenmerken op de röntgenfoto te zien zijn:

- het bot is witter door verdichting van bot (sclerose)

- versmalling van de gewrichtsspleet

- cyste vorming (kleine holte gevuld met vocht vlakbij de gewrichtsspleet)

- botvervormingen (osteofyten) aan de randen van het gewricht

- losse botfragmenten (corpura libera)

- bij de ernstige vormen van artrose vervorming van het gewrichtsoppervlak (artrosis deformans)

- soms is er verkalking in de meniscus te zien

 

Op een mri-scan is diep kraakbeenletsel (graad 4) goed te herkennen. De oppervlakkige letsels (graad 2 en 3) zijn minder goed te herkennen. Om het eindstadium van slijtage (artrose) in kaart te brengen heeft het weinig toegevoegde waarde om een mri- of ct-scan te maken.

 

Conservatieve behandeling beschadiging kraakbeen

In de beginfase van de slijtage is het vaak voldoende om een niet-operatieve behandeling te starten. Vaak kunnen de klachten met een goede aanpak een aantal jaren onder controle worden gehouden. De niet-operatieve behandeling zal met name gericht zijn op symptoomvermindering en functieherstel van de knie.

 

Het is belangrijk dat de voorwaarden rondom de knie goed zijn. Dit betekent dat de beweeglijkheid van de knie goed moet zijn. Daarnaast moeten de spieren een goede functie hebben. De spierkracht kan getraind worden zodat de schokbelasting actief beter opgevangen wordt. Tevens is het belangrijk dat de spieren niet verder in kracht achteruit gaan. Dit behandeltraject kan goed door een fysiotherapeut worden begeleid.

 

Om de knie te ontlasten is het goed om na te gaan of het lichaamsgewicht invloed kan hebben op de klacht. Hoe zwaarder het lichaam is, hoe meer druk er op de knie en dus ook het kraakbeen terecht komt. Als er sprake is van overgewicht wordt er aangeraden om dit te reduceren.

 

Steunzolen kunnen effectief zijn om de binnenkant of buitenkant van de knie te ontlasten. Doordat er een steun onder de binnen- of buitenzijde wordt aangebracht verandert de druk in de knie. Het gedeelte van het kraakbeen dat is aangetast kan hierdoor ontlast worden.

Een brace kan helpen om de knie wat te ontlasten. Deze kunnen de zijde waar het kraakbeen is beschadigd ontlasten. Daarnaast kan er bijvoorbeeld in sommige gevallen gedacht worden aan het gebruik van een stok of rollator.

Naast bovenstaande maatregelen kan er ook met medicatie gewerkt worden om de klachten te reduceren. Pijnstillende en/of ontstekingsremmende medicatie kan zinvol zijn, als deze tenminste niet permanent ingenomen dienen te worden. Een risico van het langdurig gebruik van dergelijke medicatie kunnen namelijk maagproblemen zijn. De medicatie beïnvloedt het kraakbeen zelf niet, maar zorgen voor een pijnstillend en ontstekingsremmend effect. De medicatie gebruikt worden heten NSAID’s (oa ibuprofen, diclofenac, naprosyne etc.).

 

Er kunnen injecties met corticosteroïden in het kniegewricht worden gegeven als er sprake is van een ontsteking van het gewrichtsvocht en het slijmvlies. Er is aangetoond dat corticosteroïden leiden tot een pijnreductie voor een periode van 4-6 weken. De behandeling wordt met name gebruikt als de symptomen van de kraakbeenschade hevig zijn. Deze therapie kan echter een negatief effect hebben op kraakbeenschade en daarom wordt geadviseerd om deze therapie niet als eerste voor te schrijven.

 

Naast de medicatie zijn er ook voedingssupplementen op de markt die gebruikt kunnen worden bij kraakbeenschade. Het gaat hier om glucosamine en chondroïtinesulfaat. Deze middelen hebben met name effect bij beginnende vormen van artrose. Het effect bij eindstadia van artrose is niet te voorspellen. Het effect van deze middelen kan na ongeveer twee a drie maanden worden gemerkt. Als blijkt dat de middelen geen effect hebben wordt er aanbevolen om te stoppen met de inname.

 

Bij artrose is de hoeveelheid hyaluronzuur verminderd. Hierdoor is het gewrichtsvocht dunner en minder elastisch. Dit zorgt er voor dat het gewricht een minder goede smering en schokdemping heeft. Er kunnen injecties met hyaluronzuur in de knie worden aangebracht. Deze behandeling kan gestart worden als niet-medicamenteuze behandelingen en pijnstillers onvoldoende resultaat bieden. Er is niet bewezen dat hyaluronzuurinjecties het proces van artrose kunnen remmen of stoppen. De behandeling moet voornamelijk een pijnstillend effect geven. Belangrijk om te vermelden is dat de behandeling niet bij iedereen zal werken en de preparaten niet goedkoop zijn.

 

Operatieve behandeling beschadiging kraakbeen

Er zijn verschillende operatieve mogelijkheden voor de behandeling van kraakbeenschade. De beslissing voor de soort operatie is van een aantal factoren afhankelijk. Zo is bijvoorbeeld de ontstaanswijze belangrijk (traumatisch of slijtage), de grootte van het letsel, mogelijk andere letsels etc. Hieronder worden er operatieve technieken besproken.

 

Microfracturing (ijspik methode)

Bij een microfracturing wordt de botlaag tijdens een kijkoperatie (arthroscopie) onder het kraakbeen geperforeerd met een gebogen priem. Van hieruit moet vanuit de zich daar bevindende cellen van het beenmerg een nieuwe laag vormen dat bestaat uit kraakbeen en bindweefsel. Het oorspronkelijke kraakbeen wordt met deze methode niet hersteld. Er ontstaat als het ware een soort littekenkraakbeen. Dit littekenkraakbeen is minder veerkrachtig dan het originele kraakbeen, maar dit is altijd beter dan het kale botoppervlak. Het oppervlak dat behandeld wordt mag niet te groot zijn en elkaar rakende oppervlakken kunnen niet altijd op dezelfde manier behandeld worden. Het oppervlak mag ongeveer de grootte van een 2 euro munt hebben.

Het littekenkraakbeen is niet zo duurzaam en daarom wordt ook regelmatig de belastingsas gecorrigeerd om het nieuwe kraakbeen te ontlasten.

De revalidatie na een dergelijke operatie duurt enkele maanden tot een jaar na de operatie.

 

Forage (Beckse of Pridie boringen)

Deze behandeling heeft net als de microfracturing het doel om littekenkraakbeen in het kale bot te creëren. De behandeling is een oudere methode dan de microfracturing. Deze behandeling is niet uit te voeren in het onderbeengedeelte van het kniegewricht (tibiaplateau) omdat de hoek waarin geboord moet worden te groot is. Met een boortje worden er gaatjes in de botlaag onder het kraakbeen gemaakt waardoor er een bloedstolsel in het defect ontstaat. Dit defect wordt opgevuld en omgezet in een littekenkraakbeen. Naast de behandeling is het belangrijk ook voor voorwaarde scheppende maatregelen te zorgen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan steunzolen. Deze techniek wordt door middel van een kijkoperatie (arthroscopie) uitgevoerd. Het is belangrijk na de operatie de knie snel weer te bewegen.

 

 

Nettoyage middels kijkoperatie (arthroscopie)

Kraakbeenletsels van graad 2 en 3 kunnen behandeld worden door middel van het schoonmaken van het gewricht (nettoyage). Het effect van deze behandeling is vaak tijdelijk en niet goed te voorspellen. Door middel van een shaver kunnen losgeraakte kraakbeenschollen en / of fibrillaties worden weggehaald. Deze delen kunnen ook met een Multi-electrode warmte behandeling worden versmolten met het onderliggende kraakbeen om verdere schade te beperken. Na de arthroscopie wordt het behandelde oppervlak bedekt met bloed waardoor het defect wordt gestabiliseerd. Hierdoor wordt de kans op progressie van de slijtage verkleind.

 

Kraakbeenvervangende operatie

Er zijn verschillende operatietechnieken voor het vervangen van het kraakbeen. Het kraakbeen kan worden vervangen of verplaatst. Het doel van deze operaties is dat de functie van de knie volledig herstelt. Daarnaast moet de pijn en zwelling verminderd worden.

 

Autologous Chondrocyte implantation (ACI)

Met deze behandeling worden met name traumatische kraakbeenbeschadigingen behandeld en geen slijtage. Deze operatie wordt uitgevoerd bij jonge mensen met een beperkt kraakbeendefect. Het kraakbeendefect mag maximaal ongeveer ter grootte van een 2 euro munt zijn. Via een kijkoperatie (artroscopie) wordt er een stukje kraakbeen weggehaald (biopsie), dat vervolgens in het laboratorium op kweek wordt gezet. Hierbij is het de bedoeling dat er meer kraakbeenweefsel verkregen wordt. Na ongeveer vier a vijf weken volgt een tweede operatie. Hierbij worden de gekweekte cellen via een open operatie (een kleine snede aan de voorzijde van de knie) geïmplanteerd in het beschadigde deel van de knie. Hier moet vervolgens kraakbeengroei verkregen worden.

Het wetenschappelijke bewijs voor deze operatie is inmiddels geleverd, echter is het een erg kostbare methode voor een kraakbeenbehandeling.

 

Osteochondral Autograft Transplant System (OATS of Mozaïekplastiek) 

Ook bij deze techniek mag het kraakbeendefect maximaal ongeveer ter grootte van een 2 euro munt zijn. Bij deze techniek wordt uit een deel van de knie wat niet belast is kleine pijpjes kraakbeen geboord. Het is belangrijk dat het gebied waar dit kraakbeen verkregen wordt goed bepaald wordt omdat het uiteraard niet de bedoeling is dat aan het goede gedeelte van het gewricht klachten ontstaan. De kraakbeenpijpjes worden in het beschadigde kraakbeengedeelte geplaatst. De precieze vorm van het gewricht moet door deze operatie hersteld proberen te worden.

 

Allograft

Deze operatie wordt meestal pas toegepast als andere ingrepen niet zijn geslaagd en waarbij de patiënten te jong zijn voor een gewrichtsvervangende operatie. De kraakbeendefecten zijn in dit geval vaak groter dan een 2 euro munt. In tegenstelling tot de Autograft operatie wordt hier donorkraakbeen van een overleden persoon gebruikt. Dit kraakbeen met bot wordt in de juiste vorm in het beschadigde kraakbeengedeelte geplaatst. Het nadeel van deze operatie is dat het weefsel soms niet helemaal ingroeit.

 

Operatieve behandeling slijtage (artrose)

Naast de conservatieve behandeling van de eindstage van slijtage (artrose) zijn er ook operatieve behandelopties. Het succes van een operatieve behandeling is van een aantal factoren afhankelijk. De grootte van de kraakbeenschade en de ernst van het defect is belangrijk, daarnaast de aanwezige pijn, eventuele andere afwijkingen (zoals bijvoorbeeld een O-been, meniscusletsel, instabiliteit van de knie) en het activiteitenniveau van de patiënt. Het lichaamsgewicht is ook een belangrijke factor voor het resultaat.

Het doel van alle kraakbeenbehandelingen is het herstel van de functie van de knie en vermindering van pijn en zwelling. Een gewrichtsvervangende operatie is een grotere ingreep en worden alleen gedaan als het vermoeden bestaat dat andere behandelingen niet voldoende resultaat zullen geven. Een belangrijk aspect is de zeer voorzichtige en lange revalidatie waarbij vaak langere tijd (minimaal 6 weken) niet belast mag worden en krukken gebruikt moeten worden.

 

Er zijn operatietechnieken die de eigen knie behouden en gewrichtsvervangende technieken. Een osteotomie is een gewrichtsbehoudende techniek en een prothese of endoprothese zijn gewrichtsvervangende technieken. Daarnaast zijn er kraakbeenvervangende operaties of operaties waarbij het kraakbeen behandeld wordt.

 

De keuze voor een osteotomie of een prothese hangt van een aantal factoren af:

  • Is er sprake van artrose in één of meerdere compartimenten van de knie
  • De leeftijd (boven 65 jaar wordt er eerder voor een prothese gekozen)
  • Het activiteitenniveau (activiteiten met meer impact zijn minder geschikt voor een prothese)
  • De wens van de patiënt (na een osteotomie kan er nog pijn aanwezig blijven)
  • De voorkeur en ervaring van de orthopedisch chirurg

 

Er zijn nog verschillende sporten mogelijk met een prothese. Zo is het mogelijk om te fietsen, roeien of bijvoorbeeld tennissen. Sporten met hogere impact (bijvoorbeeld hardlopen) zijn minder geschikt voor een prothese.

 

Osteotomie

Een as-afwijking kan invloed hebben op de slijtage van de knie. Bij een osteotomie wordt de as van het been hersteld zodat het gewicht meer op de gezonde zijde van de knie komt te liggen. Voor de operatie wordt de mechanische belastingsas (lijn die van het centrum van de heupkop tot aan het centrum van de knie loopt en de lijn van het centrum van de knie tot het centrum van de enkel) met een röntgenfoto bepaald. De hoek die hiermee gemeten wordt bepaald de grootte van de wig die voor de correctie gebruikt wordt.

 

Het is afhankelijk van de anatomie en de aard van de as-afwijking of de osteotomie boven de knie (bovenbeen) of onder de knie (scheenbeen) wordt uitgevoerd. De osteotomie wordt vaker in het scheenbeen uitgevoerd. Om de stand van het scheenbeen te veranderen wordt ook het kuitbeen (fibula) doorgezaagd (dit heet een fibulotomie). Deze wordt bij de operatie niet meer gefixeerd. Soms wordt er wel een klein deel van het het kuitbeen verwijderd. Dit heet een beperkte fibula resectie. Doordat het kuitbeen is doorgenomen en vervolgens niet meer wordt gefixeerd kan er door de patiënt in de eerste weken na de operatie een abnormale beweging in het kuitbeen worden ervaren bij bewegingen van de enkel en voet. Dit kan met een knap of knoep gepaard gaan die niet pijnlijk is. Deze sensatie zal na ongeveer 4 weken verdwijnen.

 

Er zijn verschillende technieken bekend om een osteotomie uit te voeren. Er bestaat een gesloten wig-techniek, een open wig-techniek en een halvemaanvormige osteotomie.

 

Bij een gesloten wig-techniek haalt de operateur eerst een wigvormige driehoek uit het scheenbeen of uit het bovenbeen en sluit daarna de botdelen weer naar elkaar toe. Op deze manier kan er bijvoorbeeld van een O-been een X-been gemaakt worden, waardoor de druk op het kniegewricht van de binnenzijde naar de buitenzijde verplaatst. Voor de fixatie wordt gebruik gemaakt van een kram, een plaat en schroeven, fixatie van buitenaf of alleen gips.

 

Bij een open wig-techniek wordt er een snede in het scheenbeen of bovenbeen gemaakt. Vervolgens worden de botvlakken uit elkaar bewogen tot de juiste, gecorrigeerde hoek is bereikt. Het gedeelte waar nu geen bot zit wordt opgevuld met bot uit de bekkenkam of met kunstbot. Dit geheel wordt gefixeerd met een plaat en schroeven.

Een alternatieve methode voor een osteotomie die voor grotere correcties gebruikt kan worden is de halvemaanvormige osteotomie. Het bot wordt cirkelvormig doorgenomen en vervolgens worden de botdelen onderling verdraaid tot de goede stand is bereikt. Bij deze methode wordt er meestal gefixeerd met een externe fixatie.

 

De chirurg kan voor de operatie geen absolute garantie geven voor een volledige en pijnvrije functie van de knie. In sommige gevallen resteert nog een deel van de pijn na de operatie. Daar staat tegenover dat het wel een gewrichtsbehoudende operatie is.

 

Na de operatie is het normaal dat er na een aantal dagen een bloeduitstorting onder huid naar boven komt. Door de zwaartekracht zakt deze bloeduitstorting naar beneden. Soms zelfs tot aan de voet. Het is daarom belangrijk dat de enkel en voet goed bewogen wordt. Als er veel spanning in de kuitspieren ontstaat, moet er altijd een trombose uitgesloten worden.

 

De genezing van de botvlakken verloopt eigenlijk hetzelfde als bij een breuk en duurt 6 tot 10 weken. Afhankelijk van de gebruikte techniek kan er gips gegeven worden.

Bij een hoekstabiele plaat kan er direct bewogen worden en gedeeltelijk of soms volledig belast worden. Meestal is het verstandig pas vanaf 6 weken na de operatie de belasting tot volledig op te voeren.

 

Overgewicht is een contra-indicatie voor osteotomie. Een osteotomie kan bij een patiënt met overgewicht van een pijnlijk O-been uiteindelijk naar een pijnlijk X-been gaan. Uiteraard geldt hetzelfde voor een X-been naar een O-been.

 

Knieprothese

Als het niet mogelijk is om een osteotomie uit te voeren of de voorspelbaarheid voor een goed resultaat is te laag, dan wordt er meestal gekozen voor een (endo)prothese (kunstgewricht). Er is dan meestal sprake van rustpijn of nachtelijke pijn, een duidelijke vermindering van de functie van de knie en een afname van de belastbaarheid van de knie. Het kan tevens zo zijn dat er sprake is van een afwijkende stand (contractuur). Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een strekbeperking van de knie of een toenemende as-afwijking van het been.

Bij een knieprothese worden de beschadigde gewrichtsvlakken vervangen. Behalve dat door het wegnemen van het pijnlijke deel van de knie (het beschadigde gewrichtsvlak) wordt ook de as van het been hersteld en instabiliteit, indien aanwezig, gecorrigeerd.

 

Afhankelijk van de locatie van de artrose (aanwezigheid in één of meerdere compartimenten van de knie) wordt er gekozen voor een gedeeltelijke knieprothese of een totale knieprothese. Het gewricht tussen knieschijf en bovenbeen (patellofemorale gewricht), het binnenste (mediale) deel of het buitenste (laterale) deel van het gewricht tussen boven- en onderbeen kunnen ook afzonderlijk vervangen worden. De patellofemorale prothese wordt alleen vervangen als de compartimenten tussen boven- en onderbeen nog in goede conditie zijn. Hierbij gaat het om een hemiprothese.

Hemiprothesen hebben aan de binnenzijde een beter resultaat dan aan de buitenzijde van de knie.

 

De beschadigde gewrichtsvlakken worden afgezaagd en op zo’n manier verwijderd dat de prothese er precies op past. Als er sprake is van een totale knieprothese wordt er een metalen kap over het bovenbeen geplaatst. Daarnaast wordt er een metalen basisplaat op het onderbeen geplaatst. Hiertussen wordt harde plastic (polyethyleen) geplaatst dat het glijdende en tevens ook het geleidende oppervlak vormt. Als het nodig is wordt ook de achterzijde van de knieschijf vervangen met een nieuwe prothese. Het is afhankelijk van het type prothese en de leeftijd van de patiënt of de prothese met botcement verankerd wordt. Het is gebruikelijk om dit wel te doen. De delen van de knieprothese worden los van elkaar geplaatst en een goed bandapparaat is nodig voor de stabiliteit.

 

Als er sprake is van een aandoening aan beide knieën, dan wordt er vaak in korte tijd achter elkaar geopereerd (3 maanden). Dit komt omdat er een relatieve verlenging van het geopereerde been ontstaat. De beenlengte wordt niet direct beïnvloed, maar als bijvoorbeeld een erg O-been gecorrigeerd wordt tot een 0 graden stand, dan wordt het been relatief langer.

 

Nabehandeling

Na de operatie zal de patiënt meestal weinig tot geen pijn meer hebben. Het is meestal mogelijk om na een dergelijke operatie de knie direct te belasten. Het is gebruikelijk om gedurende een periode van zeker zes weken krukken te gebruiken om de knie te ontlasten. Een revalidatie na een knieprothese operatie duurt gemiddeld drie tot zes maanden. Na ongeveer een jaar is er pas sprake van een volledig herstel. In het tweede jaar bereikt de knie zijn maximale functie omdat het gewrichtskapsel dan aan de prothese is gewend en de functie hersteld. Na de operatie wordt er altijd naar een volledige strekking van de knie gestreefd.

Na tien jaar zal meer dan 90% van de knieprothesen nog goed functioneren. Dit geldt voor een oudere patiëntencategorie. Bij jongere patiënten, die meer van hun knie vragen, is de levensduur korter.


backgroundbottom
Bronvermelding | Algemene voorwaarden

Dit is een produkt van :
Logo JH Consultancy
© Copyright JH Consultancy 2014, All rights reserved
Webdesign by : FISHTANKMEDIA.NL